Schadenfreude

    Een tijdje geleden ontving ik een brief van Rogier Proper, die begon met de zin: "Ik wil je iets vragen. Om te beginnen, even door te lezen". En zo las ik dat Proper een fonds had opgericht dat geld bijeen probeert te brengen om drie Palestijnse filmers een film te laten maken. Tot zover niets bijzonders, maar Proper vertelde dat hij op het idee van zijn fonds was gekomen, omdat hij op zijn beurt geld kan krijgen van de Stichting Maror. Dat is de stichting, die de joodse tegoeden verdeelt onder joden en hun erfgenamen. Proper schreef bijna zeker te weten dat ook ik behoor tot de rechthebbenden en hij vroeg mij het geld dat ik eventueel zou krijgen door te sluizen naar zijn fonds. Hij had zijn fonds Schaden/Freude genoemd.
    Ach ja, dat geld. Tot dusver was het niet bij me opgekomen een aanvraag te doen. Ik had weliswaar een joodse vader die in de oorlog alles was kwijtgeraakt en ook nog een paar een joodse grootouders die na de oorlog niet meer bestonden, maar zelf ben ik niet joods omdat mijn moeder niet joods was. Mijn moeder heette Hamstra, een varkensbil op z'n Fries vervoegd, dus gojser bestaat niet. Zelf heb ik mij nooit joods gevoeld en dat gezeur over de joodse identiteit en over de zogenaamde "vaderjoden" die ook erkend moeten worden, was nooit erg aan mij besteed.
    Ik legde de brief van Proper weg, maar hij bleef gloeien tussen de andere brieven die ik had weggelegd. Geld is geld. "Als jij het niet aanvraagt", zei iemand met wie ik het erover had, "dan gaat het naar IsraŽl, en dat wil je ook niet". Nee, dat wilde ik ook niet. De staat IsraŽl beschouw ik als het Staphorst van het jodendom en Sharon als een halve gare die in feite niets anders doet dan zich te wreken voor wat de joden in Europa is aangedaan. De Palestijnen zijn ook niet bepaald een toonbeeld van rationeel denken, maar zij liggen momenteel onder als de verdrevenen van hun land. Het is mij altijd een raadsel geweest hoe een uit Rusland geŽmigreerde jood meer recht op een stukje woestijn kan laten gelden dan een Palestijn die daar jaren lang heeft gewoond. Om zoiets recht te praten, moet je over een sibbekundig bewustzijn beschikken dat mij niet sympathiek is.


Logo Stichting Maror

    Maar ja, dat geld. Nu wil het toeval dat je op twee huizen van mij vandaan zo'n aanvraagformulier kunt halen en op een ochtend liep ik binnen. Ik nam het formulier mee naar huis, liet het nog eens tijdje liggen, vulde het toen in en stuurde het op naar de stichting Maror. Een week later kreeg ik het formulier terug. Ik had iets verkeerd ingevuld, allemaal door de zenuwen. Weer bleef het tijdje liggen, maar tenslotte stuurde ik het voor de tweede keer op. Het duurde even voordat ik het bericht kreeg dat mijn claim was toegekend. Daarna ging het snel en sinds een paar dagen staat het geld op mijn bankrekening. Veertien duizend gulden, belastingvrij.
    En wat nu?
    Mijn vader is deze maand precies tien jaar dood. Ik zie zijn grijns voor me. Over de oorlog praatte hij niet graag, maar hier zou hij alleen maar om kunnen lachen met die groteske, Topor-achtige lach van hem. Mijn vrouw en ik zijn van het geld al gaan eten bij John Halvemaan. Voortreffelijk. Ik kan de volgende keer natuurlijk een nog duurdere fles wijn bestellen, maar daar kom je er toch niet mee. Mijn vrouw wil graag fijne lingerie die ze anders nooit zou aanschaffen en de airco van onze auto moet ook worden gerepareerd. Toch blijf ik het gevoel houden dat al het geld dat ik op die manier spendeer uit een ander potje komt en dat het mij nooit, in mijn hele leven niet, zal lukken dat geld van de Stichting Maror op te maken.
    Maar wat ga ik doen met het fonds van Rogier Proper? Een lastig moreel probleem. Schadenfreude heeft mij op een idee gebracht. Zonder Schadenfreude geen veertien ruggen, maar ik weet ook wel veertien duizend redenen om Palestijnse filmers niet te steunen. Ik ga voor de zoon van Rogier eerst maar eens een grote speelgoedbeer kopen en dan kijken we wel weer verder.

NRC\Handelsblad 25 mei 2001

Zie ook Fl. 0,45 en Fl. 0,45 deel II