Over het begrijpen van moordenaars

Boeken etc

Soldaten, over vechten, doden en sterven
Sönke Neitzel & Harald Welzer
Uitgever: Ambo
Sterren: * * * *

Soldaten 2

Onlangs schreef Tim Krabbé een fascinerend boek over de twee jonge moordenaars die van plan waren hun school in Colombine op te blazen, waarbij zeker vijfhonderd leerlingen en leraren om het leven moesten komen. De bommen gingen niet af en om toch nog een bloedbad aan te richten, moesten de jongens het met hun schietwapens doen, maar dat ging minder snel. Sneu, maar wat uit het boek van Krabbé (Wij zijn maar wij zijn niet geschift) ook naar voren kwam, is dat Eric Harris (18) en Dylan Klebold (17) op vele internetsites worden geëerd als helden die de klachten van hun generatie hebben begrepen.

Onlangs schreef Theodor Holman een toneelstuk over Anders Breivik, die Geert Wilders ontmoet op het vliegveld in Londen. In een interview zei Holman, dat hij zich verwant voelt met Breivik, een opmerking die al snel een eigen leven ging leiden. Persoonlijk zag ik geen Holman voor mij, die met machinegeweer en handgranaat op een bijeenkomst van jonge socialisten afstormt. Om dat te kunnen, zou hij eerst moeten afvallen.

Wat ik er eigenlijk mee wil zeggen, is dat er een terugkerende behoefte bestaat om moordenaars te begrijpen. Misschien is de moderne literatuur wel begonnen met Schuld en Boete van Dostojevski, dat gaat over een man die een moord pleegt op een in zijn ogen verachtelijk individu. Maar toch blijft het knagen. Raskolnikov, de moordenaar bij Dostojevski, heeft nog een geweten. Maar dat niet alle moordenaars over zo’n instantie beschikken, daar zijn wij inmiddels wel achter.

Soldaten 1

Wie wil weten wat de ultieme moordenaars uit de geschiedenis heeft bewogen, raad ik daarom aan om Soldaten over vechten, doden en sterven te lezen. Dat boek gaat over soldaten van de Wehrmacht en de Waffen-SS, die spreken over hun rol in de vele oorlogsmisdaden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Zij spraken vrijuit maar niet vrijwillig, want het gaat om Duitse krijgsgevangenen die in het kamp werden afgeluisterd door Amerikaanse en Britse veiligheidsdiensten. Van die gesprekken tussen de krijgsgevangenen onderling zijn transcripties gemaakt. Het was de historicus Sönke Neitzel die ze vond en die er tenslotte, samen met de sociaalpsycholoog Harald Welzer, een boek over heeft geschreven. Soldaten, over vechten, doden en sterven is gebaseerd op zo’n honderdvijftigduizend pagina’s transcripties, teruggevonden in Britse en Amerikaanse archieven.

Het boek begint met een klein overzicht van wat er in sociaal onderzoek bekend is over machtsstructuren, en met name over het bevel. Wij stuiten daarbij uiteraard op het Milgram-experiment, dat laat zien hoe zeer mensen bereid zijn te gehoorzamen aan een autoriteit. Maar meer nog was ik getroffen door het experiment van de Barmhartige Samaritaan. Dat werd in 1973 uitgevoerd op Princeton. Proefpersonen werd verteld dat zij een belangrijke radiotoespraak moesten houden. Terwijl zij daarop zaten te wachten, kwam er iemand binnenrennen, die riep: “Snel, wij zijn laat. Ze zitten op ons te wachten, wij moeten onmiddellijk gaan!”. Dan holden zij samen naar de studio, maar bij de deur van de studio lag een man (een acteur) op de grond te kronkelen van de pijn. Hij was er duidelijk slecht aan toe. Weinig proefpersonen hielden halt om te helpen. Sommigen aarzelden nog even, alvorens verder te hollen, maar er was ook iemand bij “die niet eens had opgemerkt dat iemand in nood verkeerde, hoewel zij praktisch over hem heen waren gestruikeld”.

Erg leerzaam, vooral voor mij, want ook ik kom nog wel eens in een radiostudio.

De gesprekken tussen de Duitse krijgsgevangenen is geen aangename lectuur. In De Pers sprak Arnold Karskens zelfs van oorlogsporno. Maar toch, of misschien juist wel daardoor, heb ik Soldaten, over vechten, doden en sterven in één ruk uitgelezen. Misschien komt het ook, omdat er zelfs in slechtigheid altijd weer een overtreffende trap is. Wij wisten dat er in de Holocaust vele willekeurige moorden zijn gepleegd, maar uit de gesprekken blijkt dat zij nog veel willekeuriger zijn dan ooit is aangenomen.

Zo was in Oost-Europa het Joden neerknallen een aangenaam tijdverdrijf op feestjes en ander verstrooiende gebeurtenissen. Relaties werden uitgenodigd  om geweren en andere wapens uit te zoeken, alsof men op hertenjacht ging. Op die manier kon het wel eens gebeuren dat een gezelschap er op één sessie zo’n vijftienhonderd Joden doorheen draaide. Veel wroeging leek daarover niet te bestaan. Al in Hitler’s Willing Executioners heeft Daniel Goldhagen beschreven dat de executies van Joden openbare aangelegenheden waren, waar veel nieuwsgierigen op afkwamen. Zoiets lijkt volkomen middeleeuws, maar er bestaat het geval van een orkest, waarvan de leden zichzelf na het spelen op een uitje wenste te trakteren. Dat werd zo’n moordpartij. Terwijl je toch zou denken dat musici zijn opgevoed in een academische traditie. Hoe zo’n opleiding zich heeft verhouden tot meer humane inzichten, laat zich moeilijk begrijpen. Heydrich, de belangrijkste architect van de Jodenvernietiging, was een uitstekend violist, vooral dankzij zijn vader die zijn werkzame leven een conservatorium heeft geleid.

Ook bij Neitzel en Welzel komt dit “executietoerisme” op grote schaal voor. Wat de krijgsgevangenen hierover aan elkaar doorvertellen, tart elke beschrijving, zelfs als je er een portie opschepperij van aftrekt. Soms liepen de beulen in zwembroek rond, niet alleen omdat het mooi weer was, maar ook omdat je jezelf dan sneller had gereinigd van het rond spattende bloed.

Het belang van Soldaten over vechten, doden en sterven ligt erin dat als oorzaak niet alleen wordt gewezen op de nazistische ideologie die ten aanzien van de Joden elke vorm van mededogen miste, maar dat de lezer ook inzicht krijgt in andere factoren. Sommige daarvan zijn banaal, maar daarom niet minder waar. Zo was afstomping een mechanisme waar geen van de betrokkenen onderuit kwam. Cruciaal in het boek is de passage waarin een piloot van de Luftwaffe aan een medegevangene vertelt: “Op de tweede dag van de inval in Polen moest ik een station in Posen bombarderen. Acht van de zestien bommen vielen midden in de stad, zo op de huizen. Daar was ik niet blij mee. Op de derde dag deed het me niks meer en op de vierde dag begon ik het leuk te vinden. Het was ons pleziertje voor het ontbijt om soldaten in hun eentje op te jagen door de velden met onze machinegeweren. We schoten ze een paar keer in het kruis en lieten ze daarna liggen”.

Leuk.

Oorlog voeren is leuk, vooral als eigen partij aan de winnende hand is. Veel soldaten hebben ervan genoten, tot op een gegeven moment de helft van het gezicht werd weggeschoten. Na de val van Stalingrad min 1943 was het met lol wel gedaan. Is er een verband dat met het opmerkelijk feite dat daarna de activiteiten voor de Holocaust alleen maar zijn opgevoerd?

Als je een boek als dit leest, blijft er natuurlijk weinig hoop over voor de mensheid. (Deze zin heb ik altijd al eens willen opschrijven). Op zoek naar lichtpuntjes vond ik er toch nog één. Die gaat over een krijgsgevangene, die de Harzreise van Heinrich Heine aan het lezen is. Hoe kan dat nou, vraagt hij zich af, dit is toch een goed boek, terwijl Heine een Jood was. Maar zo’n reactie zegt ook weer niet alles. Op het conservatorium van vader Heydrich werd ook gewoon Mendelsohn gespeeld. Later zou Wagner de muziek van Mendelsohn alleen maar dirigeren met handschoenen aan. En denk vooral niet dat gevoelloosheid aan u voorbij zal gaan.

Op 2 augustus 1914 schreef Frans Kafka in zijn dagboek: “Duitsland heeft de oorlog aan Rusland verklaard – vanmiddag zwemles”.

HP/De Tijd, 30 maart  2012