Vijf jaar later

Columns

Het zal u vermoedelijk niet zijn ontgaan dat het aanstaande maandag vijf jaar geleden is dat Theo van Gogh werd vermoord. Vrienden en kennissen uit de eerste, de tweede en de derde graad zullen zich de komende dagen uitspreken over hun vriendschap met Theo. Datzelfde geldt voor in alle gradatie voor zijn vijanden.

Ik heb al het een en ander zien langskomen en ik zou u alleen willen wijzen op Theo van Gogh? Die is dood. Deze documentaire van Maartje Nevejan, waarin voornamelijk Theo van Gogh zelf aan het woord komt, wordt morgen (zondag) uitgezonden. Al die anderen over Theo kunt u rustig overslaan.

Theo is dood

Wat mij betreft hoeft u ook niet verder te lezen, als ik hier schrijf dat ik Theo van Gogh nog vaak hoor praten. Ik bedoel niet op de radio of zo, maar in mijn eigen hoofd. Ik heb dat met meer doden: W. F Hermans, Karel van het Reve, Renate Rubinstein, Hein Donner en Martin Bril. Het zijn doden, bij wie ik nieuwsgierig ben naar hun mening. Wat zou Hermans van een bepaalde gebeurtenis gevonden hebben, of Karel, of Bril? Zodra ik ze een vraag heb voorgelegd, hoor ik ze praten. Ze hebben allemaal een pregnante stem hebben, die je niet gauw vergeet.

Deze week bijvoorbeeld speelde een kwestie, waarover ik graag Theo’s mening had gehoord. De Amsterdamse rechtbank vernietigde de beslissing van het Fonds voor de Podiumkunsten om de Theatercompagnie geen subsidie toe te kennen. In het vonnis werd erop gewezen dat een lid van de adviescommissie partijdig was, omdat hij voor zijn eigen groep Likeminds ook subsidie had aangevraagd bij datzelfde fonds.

Ik vermoed dat Theo verrukt zou zijn geweest van de uitspraak. Hij zou Thieu Boermans van de Theatercompagnie meteen hebben opgebeld om hem te feliciteren. Als filmer heeft Van Gogh ook altijd overhoop gelegen met subsidie-instanties. Nederland is vergeven van de kunstinstellingen, waarvan de leden op die een of andere manier gebruik maken van belangenverstrengeling. Het verschijnsel van “op de gang gaan staan” als jouw eigen subsidieaanvraag aan de beurt komt, is hier schering en in inslag.

Met een beetje goede wil kun je dit nog een milde van vorm van corruptie noemen, maar helaas zitten er ook venijnige kanten aan al die kunstnetwerkjes. Veelzeggend was de verbaasde reactie uit het subsidiecircuit van de kunsten: “Maar wij doen het al jaren zo!”. Dan wordt het hoog tijd dat het in de toekomst anders gaat. De uitspraak van de rechter kan niet genoeg geprezen worden en het is te hopen dat de uitspraak ook in hoger beroep blijft staan.

Een instelling die veel lijkt op het Fonds voor de Podiumkunsten is het Stimuleringsfonds. Daar kun je onder meer subsidie aanvragen voor televisieprogramma’s en telefilms. Van Gogh heeft veel wat aanvaringen met het Stimuleringsfonds beleefd, niet in de laatste plaats, omdat zijn concurrenten – zo voelde hij het – mochten beslissen over zijn ingediende plannen. Regelmatig trad daarbij nog een makke aan het licht van het subsidiesysteem. Uit de kunstinstanties zelf wordt altijd beweerd dat het juist goed is dat “deskundigen in het veld” oordelen over de aanvragen, maar de praktijk is meestal heel anders en zijn die deskundigen uit het veld niet anders dan figuren van de tweede en de derde garnituur. Dat is ook logisch, want als je talent hebt en je voelt een de obsessie om zelf iets te maken, ga je niet in al die commissies zitten om eindeloos te vergaderen.

Hef instellingen als het Stimuleringsfonds en het Fonds voor de Podiumkunsten op en benoem voor twee jaar een intendant, die de beslissingen neemt. Komt er een intendant die jou niet ziet zitten, dan heb je pech. Maar je hebt ook het vooruitzicht dat je over twee jaar wel in de smaak valt. Zo ongeveer was de mening van Theo van Gogh in deze kwestie, en ik kan het alleen maar met hem eens zijn – als hij nog had geleefd.

Het Parool, 31 oktober 2009